lidw zelfst.nw bijv.nw bijw voornaamw telw werkw voorz voegw part woordvorming
Zinsleer   ▲
direct naar: Grammatica    Woordleer    Zinsleer
werkwoord naamvallen lidw zelfst nw bijv nw voornaamw telw bijw voorz voegw part woordvolgorde diversen
zinsdeel enkelv zin sameng zin hoofdzin vraagzin bijzin bijv/betr bijzin compl zin bijw bijzin
v tijd v reden/oorzaak v voorwaarde v doel v gevolg v toegeving v vergelijking v plaats v omstandigheid v beperking
Grammatica//Synt/SyntBijz/SyntBijzBijw1Temp


Bijzinnen van tijd

 

Bijzinnen van geven een tijdsrelatie aan tussen de handeling, gebeurtenis of toestand in de hoofdzin en die in de bijzin. Grofweg onderscheiden we drie soorten relaties:
1. gelijktijdigheid waarbij de handelingen van de hoofd- en bijzin in hetzelfde tijdsbestek plaatsvinden
2. voortijdigheid waarbij de handeling van de bijzin eerder plaatsvindt dan die van de hoofdzin
3. natijdigheid waarbij de handeling van de bijzin later plaatsvindt dan die van de hoofdzin.

 

gelijktijdigheid   voortijdigheid
όταν
σαν
toen, wanneer   όταν
σαν
toen, wanneer, als 1)
καθώς
ενώ
όπως
terwijl   μόλις
άμα
zodra (als), toen, als
όσο zolang (als)   αφού
αφότου
nadat, toen
τώρα που nu (dat)   natijdigheid
την ώρα που
τη στιγμή που
op het moment dat, terwijl   πριν (να)
προτού (να)
voordat, voor
εκεί που op het moment dat   ώσπου να
μέχρι να
totdat, voordat, tot, voor
κάθε φορά που
κάθε που
όποτε
άμα
telkens wanneer   ώσπου
μέχρι που
έως που
μέχρις ότου
ωσότου
totdat, tot

1) Het voegwoord 'als' wordt in het Nederlands gebruikt zonder dat we ons er rekenschap van geven of de betekenis 'indien'/'onder de voorwaarde dat' dan wel de betekenis 'wanneer'/'op het moment dat' bedoeld wordt. Daar komt nog bij dat bij de betekenis 'wanneer' vaak ook een zekere gevoelswaarde van 'indien' aanwezig is. Het Grieks maakt een strikt onderscheid tussen deze betekenissen.


Behalve de voegwoorden op να (deze worden gevolgd door een coniunctivus van de 2e stam, worden deze voegwoorden bijna steeds geconstrueerd met de indicativus.
Alleen als er sprake is van een handeling in de toekomst dan volgt θα + coniunctivus.

    tijdigheid hoofdzin bijzin
δούλευε όσο ζούσε. zolang hij leefde, heeft hij gewerkt. gelijk- paratatikos paratatikos
τώρα που ζούμε στην Αθήνα, η σχέση μας πάει μια χαρά. nu we in Athene wonen, is onze relatie heel goed. gelijk- indicativus indicativus
τη στιγμή που βγήκαμε από το μουσείο, άρχισε να βρέχει. op het moment dat we het museum uitkwamen, begon het te regenen. gelijk- aoristus aoristus
ενώ βρισκόμουν στην εκκλησία, άρχισε να βρέχει. terwijl ik in de kerk stond, begon het te regenen. gelijk- aoristus paratatikos
όταν είδε το θεριό, το έβαλε στα πόδια. toen hij het wilde dier zag, zette hij het op een lopen. voor- aoristus aoristus
έφτασαν στο σταθμό, αφού έφυγε το τρένο. ze kwamen aan op het station, nadat de trein (al) vertrokken was. voor- aoristus aoristus
όταν δω το θέριο, θα το βάλω στα πόδια. als ik het wilde dier zie, zet ik het op een lopen. voor- futurum indicativus
όταν δεις το θέριο, βάλε το στα πόδια. als je het wilde dier ziet, zet het dan op een lopen. voor- imperativus indicativus
πριν φύγει, μας τηλεφώνησε. voordat hij wegging, belde hij ons op. na- aoristus coniunct2
θα φτάσουμε στην καλύβα προτού να νυχτώσει. we zullen bij het hutje aankomen, voordat het donker wordt. na- futurum coniunct2
σε περιμέναμε ώσπου πέρασε το τελευταίο λεωφορείο. we hebben op je gewacht tot de laatste bus langskwam. na- aoristus aoristus

 


Auteursrecht voorbehouden. Zie pagina Copyright
 
  
 

Betekenis:
Betekenisleer

l

Zin:
Zinsleer

l

Woord:
Woordleer

l

Letter:
Alfabet

l

Klank:
Uitspraak

     

*

*

*

*

   

+

+

De bovenstaande zwarte sterren geven van elke pagina het niveau aan.

1 ster: beginnersniveau
2 sterren: gevorderden-niveau
3 sterren: studieniveau

1 plus: beschouwing
2 plussen: overzicht

Toelichting werkwoordsvormen:

ζούσε < ζω - zich haasten
βγήκαμε < βγαίνω - opgaan, binnengaan
είδε < βλέπω - zien
έβαλε < βάζω - nemen
δω < βλέπω - zien
βάλω < βάζω - nemen
δεις < βλέπω - zien
φύγει < φεύγω - weggaan
φτάσουμε < φταίνω - halen
πέρασα < παίρνω - passeren