Eerste kolom
lidw zelfst.nw bijv.nw bijw voornaamw telw werkw voorz voegw part woordvorming
  Zinsleer
direct naar: Grammatica    Woordleer    Zinsleer
werkwoord naamvallen lidw zelfst nw bijv nw voornaamw telw bijw voorz voegw part woordvolgorde diversen
zinsdeel enkelv zin sameng zin hoofdzin vraagzin bijvoeglijke/betrekkelijke bijzin complementszin bijwoordelijke bijzin
met να met ότη/πως met μην/μήπως met που indirecte rede gesubstantiveerde bijzin bijzin met ingesloten antecedent
Grammatica//Synt/SyntBijz/SyntBijzComp1


Complementszin


Complementszinnen zijn bijzinnen die een (noodzakelijk) zinsdeel vervangen bij het werkwoord in de hoofdzin, bijvoorbeeld lijdend voorwerp, onderwerp etc.
Afhankelijk van het zinsdeel dat ze vervangen heten ze onderwerpszin, lijdend voorwerpszin, meewerkend voorwerpszin, gezegdezin (eigenlijk: naamwoordelijk-deel-van-het-gezegde-zin).
Bijvoorbeeld:

 

onderwerpszin όποιος πινει το νερό, γίνεται αθάνατος. wie van het water drinkt, wordt onstervelijk.
lijdend voorwerpszin σε παρακαλώ να έρχεσαι στην ώρα σου. ik verzoek je (voortaan) op tijd te komen.
meewerkend-voorwerpszin   wie het nu nog niet begrijpt, zal ik het nog n keer uitleggen.
(naamwoordelijk deel van het) gezegdezin η δικιά μου γνώμη είναι ότι λέει ψέματα. mijn mening is dat hij liegt.


Afhankelijk van (de betekenis van) het werkwoord in de hoofdzin begint de complementszin met να, ότι/πως, μη(ν)/μήπως, που, een vraagwoord, een betrekkelijk voornaamwoord of een betrekkelijk bijwoord.
Evenzeer afhankelijk van (de betekenis van) het werkwoord in de hoofdzin staat het werkwoord in de complementszin in de coniunctivus of indicativus (praesens, paratatikos, aoristus of voltooide tijd).
Nb. En en hetzelfde werkwoord kan verschillende betekenissen hebben waardoor het voegwoord en/of de tijd van het werkwoord in de bijzin wijziging kan ondergaan.
Nb. Ook bij dezelfde betekenis van het werkwoord in de hoofdzin kan de de context van de zin de betekenis benvloeden, waardoor de tijd van het werkwoord in de bijzin verandering ondergaat.

 

Binnen de complementszinnen kunnen de volgende soorten worden onderscheiden (de voorbeelden geven steeds n van de minst gecompliceerde combinaties van de betekenis van het werkwoord en van de hoofdzin weer):

- Na een werkwoord dat een wil, wens, mogelijkheid of noodzaak uitdrukt, volgt να (in het Nederlands volgt vaak een onbepaalde wijs).
 
 = over het algemeen staat het werkwoord van de bijzin in de coniunctivus
 
μπορείς να περιμένεις μια στιγμή; kun je even wachten?
 = is de wens onvervulbaar of onuitvoerbaar dan staat het werkwoord in de paratatikos (in het Nederlands vaak aangeduid met 'zou'.
 
έπρεπε να ήσουν κι εσύ εκεί. jij had daar ook moeten zijn.
 = gaat het om een (on)waarschijnlijkheid met een onpersoonlijk werkwoord in de hoofdzin dan staat het werkwoord in de bijzin de indicativus (praesens, paratatikos, aoristus, toekomende of voltooide tijd).
 
πρέπει να έφυγε γύρω στις δυο. hij moet rond een uur of twee weggegaan zijn.
= να volgt ook in speciale gevallen na werkwoorden waarbij normaliter het voegwoord ότι/πως of μη(ν)/μήπως of που wordt gebruikt.
 
δεν πιστεύω να τα έμαθε τα νέα. ik geloof niet dat hij het nieuws gehoord heeft.
 - - Na werkwoorden van uiting, mening of kennis volgt ότι/πως (in het Nederlands vaak te vervangen door 'het feit dat':
 
 = het werkwoord staat in de indicativus (praesens, paratatikos, aoristus, toekomende of voltooide tijd)
 
μου είπε πως το κάνω λάθος. hij zei me dat ik het verkeerd deed.
 = als de inhoud van de complemenstszin twijfelachtig of onzeker is, wordt het voegwoord να (het werkwoord blijft in de indicativus)
 
δεν πιστεύω να τα έμαθε τα νέα. ik geloof niet dat hij het nieuws gehoord heeft.
 = na θυμάμαι (zich herinneren) en ξεχνάω (vergeten) in de emotionele betekenis waar het Nederlands 'hoe' als voegwoord gebruikt, wordt het voegwoord που
 
ο γέρος θυμήθηκε που συναντιόντουσαν στο Παρίσι. de oude man herinnerde zich (nog goed) hoe ze elkaar in Parijs ontmoetten.
 = ότι/πως volgt ook in speciale gevallen na werkwoorden waarbij normaliter het voegwoord μη(ν)/μήπως of που wordt gebruikt.
 
ελπίζω ότι πέρασες ωραία στις διακοπές. ik hoop dat je een fijne vakantie hebt gehad.
- Na werkwoorden van vrees of bezorgdheid volgt μη(ν)/μήπως
 
 = het werkwoord staat over het algemeen in de coniunctivus van de tweede stam
 
φοβόμαστε μήπως αρρωστήσεις. wij zijn bang dat hij ziek wordt.
 = gaat het om een waarschijnlijkheid dan staat het werkwoord in de bijzin in de indicativus
 
φοβάμαι μήπως έφυγε το τρένο. hij is bang dat de trein al weg is. 
 = gaat het zelfs om een bijna-zekerheid dan wordt het voegwoord ότι/πως gevolgd door de indicativus (praesens, paratatikos, aoristus, toekomende tijd)
 
η θεία Κατίνα φοβάται ότι θα αρρωστήσεις. tante Katina is bang dat je ziek wordt.
 = φοβάμαι heeft ook de betekenis 'niet durven te' en wordt dan gevolgd door να + coniunctivus.
 
φοβάσαι να πηδήξεις; durf je niet te springen?
- Na werkwoorden van emotie volgt που + indicativus
 
 
χαίρομαι που ήρθες. ik ben bij dat je gekomen bent.
- Na werkwoorden van directe zintuigelijk waarneming volgt που
 
 
είδα το τρένο που ξεκινούσε. ik zag de trein vertrekken/ de trein die vertrok.
 = indien het gaat om de kennis die het gevolg is van de waarneming, dan is het voegwoord ότι/πως
 
άκουσα ότι πέθανε ο θείος του. ik hoorde dat zijn oom is overleden.
 = indien het gaat om het zich voltrekken van het waargenomene, dan is het voegwoord να gevolgd door een coniunctivus van de eerste stam.
 
βλέπω το τρένο να ξεκινάει. ik zie de trein vertrekken.

 

 


Auteursrecht voorbehouden. Zie pagina Copyright


Betekenis:
Betekenisleer

l

Zin:
Zinsleer

l

Woord:
Woordleer

l

Letter:
Alfabet

l

Klank:
Uitspraak

     

*

*

*

*

   

+

+

 

De bovenstaande zwarte sterren geven van elke pagina het niveau aan.

1 ster: cursusniveau
2 sterren: schoolniveau
3 sterren: studieniveau
4 sterren: gevorderd studieniveau

1 plus: beschouwing
2 plussen: overzicht

 

Toelichting werkwoordsvormen:

έπρεπε < πρέπει - moeten
ήσουν < είμαι - zijn
έφυγε < φεύγω - weggaan
έμαθε < μαθαίνω - vernemen
είπε < λέω - zeggen
θυμήθηκε < θυμάμαι - zich herinneren
συναντιούσαν < συναντώ - ontmoeten
πέρασες < περνάω - doorbrengen
έφυγε < φεύγω - weggaan
πηδήξεις < πηδάω - springen
είδα < βλέπω - zien
πέθανε < παθαίνω - sterven