Eerste kolom
zinsdeel enkelv zin sameng zin hoofdzin vraagzin bijvoeglijke/betrekkelijke bijzin complementszin bijwoordelijke bijzin
werkwoord naamvallen lidw zelfst nw bijv nw voornaamw telw bijw voorz voegw part woordvolgorde diversen
Morfologie / Werkwoorden
direct naar: Grammatica    Morfologie    Syntaxis Vervoegen Conjugaties Augment Volt.tijden
werkw lidw zelfst.nw bijv.nw bijw voornaamw telw voorz voegw part woordvorming
regelmatige werkw. onregelmatige werkw. augment inwendig augment varianten lettergreep met ι-klank
activum 2e conj 2e stam praesens imperfect aoristus coniunct futurum imperat tegenw dw volt dw volt tijd
Grammatica//MorfWerw/MorfWerw3


Werkwoorden


Werkwoorden zijn woorden die een 'werking' uitdrukken. De werking kan een handeling zijn, maar bijvoorbeeld ook een beweging, een toestand of een eigenschap.
In het Grieks worden werkwoorden vervoegd naar vorm, stam/aspect, wijs, tijd, persoon en getal.

Vorm

Net als het Nederlands kent het Grieks een activum (bedrijvende vorm) en een passivum (lijdende vorm).
De actieve vorm wordt gebruikt voor overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden.
Overgankelijke (transitieve) werkwoorden zijn werkwoorden die een lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben: χτύπησα τον Γιάννη (ik sloeg Jan).
Onovergankelijke
(intransitieve) werkwoorden zijn werkwoorden die in principe nooit een lijdend voorwerp bij zich hebben: περπατάω στον κύπο (ik wandel in de tuin).
De passieve vorm wordt gebruikt in passieve constructies: Ο Γιάννης απολύθηκε (Jan werd ontslagen).
De passieve vorm wordt ook gebruikt om wederkerendheid en wederkerigheid uit te drukken: ντύθηκα (ik kleedde me aan; wederkerend), κοιταχτήκαμε (wij keken elkaar aan; wederkerig).
Een aparte categorie vormen de deponentia, werkwoorden met een passieve vorm, maar met een doorgaans actieve betekenis.

Nb. Er bestaat (in het Grieks) een wezenlijk verschil tussen vorm en betekenis. Er zijn werkwoorden met een actieve vorm en een passieve betekenis. Dit onderwerp behoort tot de syntaxis.

Stam/aspect

Bij de vorming van de wijzen en tijden maakt het Griekse werkwoordsysteem gebruik van twee stammen: de eerste stam (ook wel de praesensstam genoemd) en de tweede stam (ook wel de aoristusstam genoemd).
De eerste stam wordt gebruikt wanneer een handeling of gebeurtenis gepresenteerd wordt als iets dat aan de gang is, gebruikelijk is of herhaald wordt (duratief).
De tweede stam wordt gebruikt wanneer een handeling of gebeurtenis gepresenteerd wordt als eenmalig en/of afgerond (punctueel).
Vergelijk:
παλιά πήγαινα μόνος μου στο σινεμά
(vroeger ging ik altijd in m'n eentje naar de bioscoop; eerste stam) met
χτες πήγα μόνος μου στο σινεμά (gisteren ben ik m'n eentje naar de bioscoop gegaan; tweede stam).
Nb. De Latijnse woorden praesens en aoristus worden verbogen. Zo betekent praesentis: van het praesens, en aoristi: van de aoristus.
Nb. Verwar de betekenis 'van de tweede stam' van het woord aoristus niet  met de andere betekenis die het woord aoristus als tijd heeft, namelijk 'verleden tijd van de tweede stam'.

Naast het specifieke gebruik van de eerste en tweede stam zoals hiervoor is beschreven, zijn er nog andere situaties waarin juist de eerste of tweede stam wordt gebruikt:
- de verleden tijd van de eerste stam wordt gebruikt wanneer in het Nederlands de verleden tijd van het werkwoord 'zullen' wordt gebruikt; de handeling of gebeurtenis zou kunnen plaats vinden;
- na vele voegwoorden (vooral να en combinaties daarmee) wordt de aanvoegende wijs van de tweede stam (coniunctivus) gebruikt.

Stam/aspect en vorm

De eerste stam is de stam die men krijgt door van de eerste persoon enkelvoud de uitgang van de actieve vorm (-ώ, -άω) of van de passieve vorm (-όμαι, -ιέμαι, -ούμαι, -ώμαι of -άμαι) te verwijderen (er zijn enkele werkwoorden die eindigen op -είμαι, en slechts één werkwoord dat eindigt op -ύμαι. Deze werkwoorden kennen overigens geen actieve vorm).
De eerste stam actief en passief zijn gelijk.
Zo kan men van een werkwoord waarvan de passieve vorm van de eerste persoon enkelvoud bekend is, de actieve vorm maken. Voor het omgekeerde is kennis nodig over de groep waar het werkwoord in valt.
De tweede stam actief wordt in principe gevormd door aan de eerste stam actief een - toe te voegen.
De tweede stam passief wordt in principe gevormd door aan de tweede stam actief een - toe te voegen. Deze toevoegingen hebben ieder voor zich en gezamenlijk allerhande wijzigingen tot gevolg in de klinker(s) en medeklinker(s) die er direct aan voorafgaan.


Wijs

Het werkwoordsysteem kent vijf wijzen 1):
- de indicativus (aantonende wijs),
- de coniunctivus (aanvoegende wijs)
- de imperativus (gebiedende wijs)
- de infinitivus (onbepaalde wijs) en
- de aparémfato.
De indicativus wordt gebruikt in hoofdzinnen en sommige bijzinnen;
de coniunctivus wordt gebruikt in hoofdzinnen na bepaalde partikels en in sommige bijzinnen.
De imperativus wordt alleen in hoofdzinnen gebruikt en drukt een gebod uit.
De infinitivus bestaat in het Grieks alleen nog in enkele archaïsche vormen 2).
De aparémfato wordt gebruikt bij de vorming van voltooide tijden en is in gebruik enigszins vergelijkbaar met het Nederlandse voltooid deelwoord. Het woord απαρέμφατο wordt vaak vertaald met infinitivus. Deze begrippen zijn echter geenszins uitwisselbaar.
Nb. De Latijnse woorden indicativus, etc. worden verbogen. Zo betekent indicativi: van de indicativus etc.

1) Conform Γραμματική; Lauxtermann onderscheidt drie wijzen (indicativus, coniunctivus en imperativus).
2) Bijvoorbeeld: ούτως ειπείν - zogezegd


Tijd

In het Nederlands onderscheiden we onvoltooide tijden en voltooide tijden.
Binnen de onvoltooide tijd onderscheiden we de onvoltooid verleden, de onvoltooid tegenwoordige en onvoltooid toekomende tijden.
Binnen de onvoltooid toekomende tijd onderscheiden we de onvoltooid verleden toekomende tijd en de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd:
ik loop, liep, zal lopen, zou lopen.
Binnen de voltooide tijd onderscheiden we de voltooid verleden, de voltooid tegenwoordig en de voltooid toekomende tijden.
Binnen de voltooid toekomende tijd onderscheiden we de voltooid verleden toekomende en de voltooid tegenwoordig toekomende tijd:
ik had gelopen, heb gelopen, zou hebben gelopen, zal hebben gelopen.
Er is ook een andere indeling mogelijk:
- de tegenwoordige tijden: de onvoltooid en voltooid tegenwoordige tijd
- de verleden tijden: de onvoltooid en voltooid verleden tijd
- de toekomende tijden: de onvoltooid tegenwoordige toekomende en de onvoltooid verleden toekomende tijd, en de voltooid tegenwoordig toekomende en de voltooid verleden toekomende tijd.
Als kortweg gesproken wordt over de tegenwoordige tijd wordt bijna altijd de onvoltooid tegenwoordige tijd bedoeld. 
Als kortweg gesproken wordt over de verleden tijd wordt bijna altijd de onvoltooid verleden tijd bedoeld.
Als kortweg gesproken wordt over de toekomende tijd wordt bijna altijd de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd bedoeld. 

Het Grieks onderscheidt monolectische en de perifrastische tijden.
Bij monolectische (uit één woord bestaande) tijden wordt het tijdsaspect in de uitgang verwerkt.
Bij perifrastische (omschreven) tijden wordt een partikel (toekomende tijden: θα + coniunctivus) of een hulpwerkwoord (voltooide tijden: έχω + aparemfato) toegevoegd om het tijdsaspect weer te geven.
De (onvoltooid) tegenwoordige tijd (praesens) en de (onvoltooid) verleden tijd (paratatikos en aoristus) zijn monolectische tijden.
De  onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t., θα + paratatikos) en de voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t., θα + είχα + aparemfato) worden in het Grieks niet als een tijd (morfologisch) benoemd maar als een wijze (syntactisch), namelijk: υποθετικός λόγος, de veronderstellende wijze. Het Grieks oonderscheidt derhalve slechts drie toekomende tijden: de onvoltooid toekomende tijd voor een aan de gang zijnde, gebruikelijke of herhaalde handeling (θα + 1e stam), de onvoltooid toekomende tijd vooreen eenmalige of afgeronde handeling  (θα + 2e stam) en de voltooid toekomende tijd (θα + έχω + aparemfato).



Wijs, tijd en stam/aspect

De aantonende wijs kent in de tegenwoordige tijd geen onderscheid naar aspect.
De aantonende wijs kent in de (onvoltooid) verleden tijd twee verschillende vormen:
- het imperfectum (paratatikos; op basis van de eerste stam) voor een aan de gang zijnde, gebruikelijke of herhaalde handeling;
- de aoristus (op basis van de tweede stam) voor een eenmalige of afgeronde handeling.
De aanvoegende wijs (coniunctivus) kan op basis van de eerste stam (aan de gang zijnde, gebruikelijke of herhaalde handeling) en op basis van de tweede stam (eenmalige of afgeronde handeling) worden gevormd. Deze worden vaak aangeduid met coniunctivus I en coniunctivus II. De vormen van de coniunctivus I zijn gelijk aan de vormen van het praesens (indicativus van de tegenwoordige tijd).
De bevelende wijs (imperativus) kan op basis van de eerste stam (aan de gang zijnde, gebruikelijke of herhaalde handeling) en op basis van de tweede stam (eenmalige of afgeronde handeling) worden gevormd. Deze worden aangeduid met imperativus I en imperativus II.
De infinitivus en de aparémfato kennen geen onderscheid naar aspect.
De vorming van de aparémfato is gebaseerd op de tweede stam.

De toekomende tijd (futurum) kan op basis van de eerste stam (aan de gang zijnde, gebruikelijke of herhaalde handeling) en op basis van de tweede stam (eenmalige of afgeronde handeling) worden gevormd. Deze worden aangeduid met futurum I en futurum II.


Perifrastische constructies

De voornoemde werkwoordstijden bestaan alle uit een werkwoordsstam en een uitgang. Voor sommige tijden heeft het Grieks een perifrastische constructie, bestaande uit een werkwoordsvorm voorafgegaan door een partikel, of uit een werkwoordsvorm gecombineerd met een hulpwerkwoord.
Het gaat om de constructie voor het futurum (de toekomende tijd) en voor de voltooide tijden.
Het futurum wordt gevormd door het (onverbuigbare) partikel θα, gevolgd door de coniunctivus van de eerste of tweede stam, actief of passief.
De drie voltooide tijden zijn niet onder te verdelen in eerste of tweede stam.
Het gaat om het perfectum (vergelijkbaar met de Nederlandse voltooid tegenwoordige tijd), het plusquamperfectum (vergelijkbaar met de Nederlandse voltooid verleden tijd) en het futurum exactum (vergelijkbaar met de Nederlandse voltooid tegenwoordig toekomende tijd).
De voltooide tijden worden gevormd met behulp van het hulpwerkwoord έχω.


Persoon en getal

Bij de vorming van de werkwoordsvormen worden er drie 'personen' onderscheiden: de eerste persoon (ik, wij), de tweede persoon (jij, jullie/u) en de derde persoon (hij/zij, zij). Verder worden er twee 'getallen' onderscheiden: enkelvoud (ik, jij, hij/zij) en meervoud (wij, jullie/u, zij).


Deelwoord

Het Grieks kent net als het Nederlands, een tegenwoordig deelwoord en een voltooid deelwoord, die ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt kunnen worden (bijvoorbeeld gooiend, gegooid; hierbij is overigens in het Grieks de vorm voor 'gegooid' een andere dan die hiervoor als 5e wijs is besproken).
Het Grieks beschouwt het deelwoord, anders dan het Nederlands, als een wijze (de 4e).
Omdat het Grieks voor bijna elk werkwoord niet alleen een actieve vorm kent, maar ook een passieve, bestaat er naast het tegenwoordig deelwoord voor de actieve vorm, ook een tegenwoordig deelwoord voor de passieve vorm.
In principe worden de deelwoorden verbogen.
Vooral het tegenwoordig deelwoord komt niet bij alle werkwoorden voor.

 


© Auteursrecht voorbehouden. Zie pagina Copyright
 

.



 

 

Semantiek
Betekenisleer

l

Syntaxis
Syntaxis

l

Morfologie
Woordleer

l

Alfabet

l

Fonologie

     

*

*

*

*

   

+

+



Overzicht indeling werkwoorden
 

1e stam, 1e conjugatie,
actief en passief
  κρύβω, -ομαι verbergen
  ανοίγω, -ομαι openen
  διαβάζω, -ομαι lezen
  πείθω, -ομαι overtuigen
  χάνω, -ομαι verliezen
  ακούω, -γομαι horen
1e stam, 2e conjugatie,
actief en passief
A1 αγαπώ, -ιέμαι beminnen
A2 αντανακλώ, -ούμαι beschouwen
B θεωρώ, -ούμαι beschouwen
C πληρώ, -ούμαι voldoen aan
2e stam, 1e conjugatie, actief
  κρύψω verbergen
  ανοίξω openen
  διαβάσω lezen
  πείσω overtuigen
  πληρώσω betalen
  ακούσω horen
2e stam, 1e conjugatie, passief
  κρυφτώ verbergen
  ανοιχτώ openen
  διαβαστώ omhelzen
  πειστώ overtuigen
  πληρωστώ betalen
  ακουστώ horen
2e stam, 2e conjugatie, actief
A1 αγαπήσω beminnen
A2 αντανακλάσω weerkaatsen
B θεωρήσω beschouwen
2e stam, 2e conjugatie, passief
A1 αγαπηθώ beminnen
A2 αντανακλαστώ weerkaatsen
B θεωρηθώ beschouwen
D λυπηθώ spijt hebben